Actie nodig tegen verloedering platteland

Jolan Knol (2016)

Gemeenten moeten steviger in actie komen tegen leegstand op het platteland. Als ondernemers en gemeenten beter en actiever samenwerken, ziet de toekomst van het platteland er niet zo zorgelijk uit als de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vreest.

De schaalvergroting in de landbouw brengt al jaren veel teweeg in het buitengebied. Een onderbelicht aspect hierbij is de vrijkomende agrarische bebouwing (VAB). Dit zijn gebouwen op een perceel waarvan de agrarische grond niet meer op die manier in gebruik is. De schuren, stallen of (woon)boerderijen verliezen hun oorspronkelijke functie. Een groot deel van deze locaties wordt nog wel gebruikt, maar niet volgens de functie die door de gemeente is toegekend. Soms speelt dit al tientallen jaren, zonder dat de gemeente dit weet. Veel gemeenten hebben namelijk geen inzicht in de situatie op het platteland. En handhaving op de gebruikssituatie gebeurt weinig, omdat ingrijpen vaak politiek onaantrekkelijk is.

Het aantal woningen in het buitengebied neemt toe, het platteland krijgt steeds meer een multifunctioneel karakter. Maar de combinatie van functies botst vaak. Er ontstaan sociale spanningen als boer en burger overlast van elkaar ondervinden. De burger klaagt over geuroverlast door stinkende koeien en gaat procederen. De boer wordt tegelijkertijd beperkt in doorgroeimogelijkheden door de verscherpte regelgeving voor omwonenden. Ook worden regelmatig hennepkwekerijen opgerold die in een schuur of loods op het platteland zijn ingericht. Niet bepaald aantrekkelijk voor het buitengebied.

Gemeenten komen daartegen te weinig in actie. En als ze dat wel doen, ontbreekt het ze vaak aan lef. Ondernemers krijgen te maken met rigide regels over de bestemmingen van een object. Dan is er in het bestemmingsplan bijvoorbeeld vastgelegd dat zich op een locatie een horecabedrijf, aannemer of hovenier mag vestigen. Er is dan dus geen plaats voor een ondernemer die er een insectenkwekerij wil vestigen, terwijl de plek zich daarvoor uitstekend leent. Bovendien verschilt per gemeente het beleid voor de vrijkomende agrarische bebouwing. Dat maakt het lastig voor initiatiefnemers. Die moeten per gemeente uitzoeken wat wel en niet mag.

Er zijn gelukkig ook voorbeelden van gemeenten die wél goed omgaan met de situatie in het buitengebied. De gemeente Dongen bijvoorbeeld heeft specifiek beleid ontwikkeld voor vrijkomende agrarische bebouwing op het platteland. In plaats van regels stelt zij voorwaarden op waaraan nieuwe initiatieven moeten voldoen. Sommige gemeenten bieden zelfs sloopregelingen aan om de locaties bruikbaarder te maken.

Er is juist nu behoefte aan gebiedsontwikkeling die de gemeentegrenzen overstijgt en ruimte laat voor planologische vrijheid. Gemeenten moeten dus in actie komen. Ze moeten in gesprek gaan met gemotiveerde partijen, coherent beleid opstellen dat recht doet aan het karakter van het gebied en bestemmingswijzigingen makkelijker maken, zodat de regio in ontwikkeling blijft. Dit kan bijvoorbeeld in een gebiedscoöperatie waarbij verschillende partijen gelijkwaardig kunnen optreden.

Als gemeenten alert reageren en in actie komen, ziet de toekomst van het platteland er positief uit. Maar lokale overheden moeten dan ook echt stappen nemen in de handhaving. Als dat goed zit, kan er makkelijker planologische vrijheid aan ondernemers geboden worden die daarmee een creatieve invulling kunnen geven aan de locaties. Er zijn ideeën genoeg, maar pas bij een actieve rol van de gemeente kunnen die plannen worden omgezet in daden.

Deze ingezonden brief werd op 22 april 2016 gepubliceerd in het Financieel Dagblad.